Schrebergarten Geschichte: van therapeutisch idee tot volkstuinbeweging

De geschiedenis van de Schrebergarten begint in de negentiende eeuw in Duitsland, als reactie op de snel groeiende steden en de erbarmelijke leefomstandigheden van arbeidersgezinnen. Wat begon als een sociaal-medisch initiatief, groeide uit tot een van de meest verspreide volkstuinbewegingen van Europa.

Wie was Schreber en waarom draagt de Schrebergarten zijn naam?

Moritz Schreber (1808-1861) was een Duits orthopedisch arts en pedagoog in Leipzig. Hij pleitte vurig voor lichaamsbeweging, frisse lucht en groencontact als middel tegen de geestelijke en lichamelijke achteruitgang van stadskinderen. Schreber zelf heeft nooit een volkstuin aangelegd of beheerd. Zijn naam is verbonden aan de beweging via zijn nagedachtenis: zijn vriend en bewonderaar Ernst Innozenz Hauschild richtte in 1864 in Leipzig de eerste Schreberverein op, een vereniging die aanvankelijk bedoeld was als speelterrein voor kinderen.

Pas later, toen de ouders van de kinderen ook stukken grond begonnen te bewerken en kleine tuintjes aanlegden naast de speelplaats, ontstond het fenomeen van de Schrebergarten zoals we dat nu kennen. De naam van de arts bleef hangen, ook al verschoof het doel van lichaamsbeweging voor kinderen naar groente- en fruitteelt voor gezinnen.

De vroege geschiedenis van de Schrebergarten: 1864 tot 1900

De allereerste georganiseerde Schrebergarten dateren dus uit de jaren 1860 in Leipzig. De stad groeide snel door industrialisering, en arbeidersgezinnen woonden dicht op elkaar in kleine, donkere appartementen zonder tuin. De volkstuintjes boden een uitweg: een stukje eigen grond waar je groenten kon verbouwen, de kinderen buiten konden spelen en het gezin even adem kon halen.

In de jaren daarna verspreidden vergelijkbare initiatieven zich door heel Duitsland. Steden als Dresden, Hamburg en Berlijn kregen hun eigen tuinverenigingen. Het was geen toevallige ontwikkeling: gemeentebesturen zagen de volkstuinen als een manier om de sociale rust te bewaren en de gezondheid van de arbeidersklasse te verbeteren. Voeding verbouwen was voor veel gezinnen geen hobby, maar een noodzaak.

Bloei en regelgeving in de twintigste eeuw

De Schrebergarten-beweging groeide explosief in de eerste helft van de twintigste eeuw. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werden volkstuinen actief aangemoedigd door de overheid omdat voedsel schaars was. Gezinnen die een volkstuin hadden, konden een deel van hun eigen groenten en fruit verbouwen. Hetzelfde herhaalde zich tijdens en na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945), toen volkstuinen in Duitsland en in bezette landen zoals Nederland letterlijk overlevingstuinen werden.

In 1919 werd in Duitsland de Reichskleingartengesetz ingevoerd, een wet die de rechten en plichten van volkstuinders wettelijk vastlegde. Hiermee kregen Schrebergärten voor het eerst een officiële juridische status. De wet regelde onder andere huurprijzen, opzegtermijnen en de verplichting om de tuin daadwerkelijk te bewerken voor voedselproductie. Latere aanpassingen, waaronder de Bundeskleingartengesetz van 1983, zijn tot op heden van kracht in Duitsland en regelen nog steeds de omvang (maximaal 400 m² per tuin), de huurbescherming en het verbod op permanente bewoning.

Van overlevingstuin naar vrijetijdsbesteding

Na de wederopbouw van de jaren vijftig veranderde de rol van de Schrebergarten geleidelijk. Het zware economische argument verloor terrein nu de welvaart toenam. De volkstuin werd langzaam een plek voor ontspanning, sociale contacten en de liefde voor het kweken, in plaats van puur een voedselbron. Kleine houten huisjes (Lauben) werden uitgebreider, tuinmeubels verschenen, en de nadruk verschoof van nut naar plezier.

In de jaren zeventig en tachtig groeide ook het milieubewustzijn, en de Schrebergarten werd opnieuw aantrekkelijk, nu als plek voor biologisch tuinieren en de verbinding met de natuur. Steden als Berlijn, München en Hamburg hadden tienduizenden volkstuinpercelen verdeeld over honderden verenigingen.

Schrebergarten buiten Duitsland

De volkstuingedachte bleef niet beperkt tot Duitsland. In Nederland ontstonden de volkstuinen in een vergelijkbare periode en om vergelijkbare redenen. In Zwitserland is de beweging eveneens sterk vertegenwoordigd, zoals te zien is in de documentaire „Unser Garten Eden“ van regisseur Mano Khalil (Zwitserland, 2009, 95 minuten), die het leven en de verhalen rondom volkstuinen in beeld brengt. In Scandinavische landen kennen ze het als „kolonihave“ (Denemarken) of „koloniträdgård“ (Zweden), varianten die dezelfde historische wortels delen.

De Schrebergarten vandaag

Tegenwoordig beleeft de Schrebergarten een nieuwe populariteitsgolf, vooral bij jongere stadsbewoners die geen eigen tuin hebben maar wel buiten willen zijn en zelf willen verbouwen. De wachtlijsten voor een volkstuinperceel zijn in veel Duitse steden lang, naar schatting meerdere jaren in populaire steden als Berlijn en Hamburg. Het beeld van de Schrebergarten als domein van gepensioneerden verdwijnt langzaam: gezinnen, studenten en jonge professionals ontdekken de tuinen opnieuw.

De combinatie van sociale functie, voedselproductie en ontspanning, die al in 1864 de kern vormde van het eerste initiatief in Leipzig, blijkt vandaag nog steeds de kracht van de Schrebergarten te zijn. De geschiedenis laat zien hoe een simpel tuintje van een paar honderd vierkante meter de tand des tijds doorstaat, juist omdat het inspeelt op een basisbehoefte: een stukje grond om zelf te bewerken, middenin de stad.