Blog

  • Schrebergarten von der Steuer absetzen: so geht es wirklich

    Schrebergarten von der Steuer absetzen: so geht es wirklich

    Einen Schrebergarten von der Steuer absetzen ist unter bestimmten Bedingungen tatsächlich möglich, aber nicht pauschal für jeden Kleingärtner. Entscheidend ist, ob dein Kleingarten steuerrechtlich als Teil deines Haushalts gilt. Genau das regelt § 35a EStG (Einkommensteuergesetz), der Steuerermäßigungen für Handwerkerleistungen und haushaltsnahe Dienstleistungen vorsieht.

    Damit du weißt, wann sich das lohnt und wann nicht, erklärt dieser Artikel die konkreten Voraussetzungen, was absetzbar ist und wo die Grenzen liegen.

    Wann gilt ein Schrebergarten als „Haushalt“ im Sinne des Steuerrechts?

    Die Steuerermäßigung nach § 35a EStG gilt nur für Leistungen, die „im Haushalt“ erbracht werden. Ob dein Schrebergarten dazugehört, hängt von der konkreten Situation ab. Ein Kleingarten, der räumlich direkt an dein Wohngrundstück angrenzt oder funktional mit deinem Haushalt verbunden ist, kann als haushaltszugehörig anerkannt werden.

    Ein Schrebergarten in einer Kleingartenanlage, also ein Pachtgarten außerhalb deines eigenen Grundstücks, wird vom Finanzamt oft kritisch betrachtet. Dennoch gibt es Fälle, in denen auch dort Leistungen anerkannt wurden, zum Beispiel wenn der Garten regelmäßig genutzt wird und klar zum persönlichen Lebensbereich gehört. Eine einheitliche Regelung existiert hier nicht; im Zweifelsfall entscheidet das zuständige Finanzamt.

    Was kannst du konkret von der Steuer absetzen?

    Absetzbar sind ausschließlich die Lohnkosten von Handwerkern oder Dienstleistern, nicht die Materialkosten. Folgende Leistungen kommen grundsätzlich infrage:

    • Gartenarbeit durch einen externen Dienstleister (Rasenmähen, Hecke schneiden, Bepflanzung)
    • Handwerkerarbeiten wie Reparatur eines Gartenzauns, Erneuerung eines Weges oder Renovierung der Gartenlaube
    • Pflasterarbeiten oder Erdarbeiten durch einen Fachbetrieb
    • Winterdienst auf dem Gartengelände

    Wichtig: Du selbst kannst keine Eigenleistungen absetzen. Nur was du an einen gewerblichen Anbieter oder Minijobber zahlst, zählt.

    Wie hoch ist die Steuerersparnis?

    Das Finanzamt erkennt 20 Prozent der Lohnkosten direkt als Steuerermäßigung an, also als Abzug von der Steuerschuld, nicht nur als Werbungskosten. Die Grenzen laut § 35a EStG (Stand 2025) sind:

    Art der Leistung Max. anrechenbare Lohnkosten Max. Steuerersparnis
    Haushaltsnahe Dienstleistungen (z.B. Gartenarbeit) 20.000 Euro 4.000 Euro
    Handwerkerleistungen (z.B. Reparaturen) 6.000 Euro 1.200 Euro

    Ein Beispiel: Du lässt deinen Gartenzaun für 2.000 Euro reparieren, davon 1.500 Euro Lohnkosten. Das Finanzamt erkennt 20 Prozent an, also 300 Euro direkt weniger Steuerschuld. Das ist ein konkreter Vorteil, der sich lohnt.

    Diese Bedingungen musst du erfüllen

    Damit das Finanzamt die Kosten anerkennt, müssen einige formale Voraussetzungen erfüllt sein:

    • Die Rechnung muss auf deinen Namen ausgestellt sein.
    • Du musst per Überweisung bezahlt haben. Barzahlung wird nicht anerkannt.
    • Auf der Rechnung müssen Lohn- und Materialkosten getrennt ausgewiesen sein.
    • Die Leistung muss in deinem Haushalt oder auf einem haushaltszugehörigen Grundstück erbracht worden sein.

    Fehlende Kontonachweise oder ein reiner Kassenbon ohne Kontoauszug reichen dem Finanzamt nicht. Hebe deshalb immer die Rechnung und den Kontoauszug auf.

    Schrebergarten in einer Kleingartenanlage: een Sonderfall

    Viele Kleingärtner pachten ihren Garten bei einem Verein. Ob Leistungen in diesem Fall absetzbar sind, ist steuerrechtlich nicht eindeutig geregelt. Laut einem Fachbeitrag des NWB-Experten-Blogs (2020) wird nicht jeder Klein- oder Schrebergarten automatisch von der Steuerermäßigung erfasst, aber mancher Hobbygärtner sollte genauer hinschauen, weil es durchaus möglich ist.

    Praktisch bedeutet das: Wenn du für deinen Pachtgarten Handwerker beauftragst und der Garten klar deinem privaten Lebensbereich zugeordnet werden kann, ist ein Versuch sinnvoll. Leg dem Finanzamt die Rechnung vor und begründe die Zuordnung zum Haushalt. Im schlimmsten Fall lehnt das Finanzamt ab, du verlierst nichts außer etwas Zeit.

    Was nicht absetzbar ist

    Nicht jede Ausgabe rund um den Garten lässt sich steuerlich geltend machen. Folgendes wird nicht anerkannt:

    • Materialkosten (Erde, Pflanzen, Werkzeug, Farbe)
    • Eigene Arbeitsstunden
    • Barzahlungen ohne Kontonachweis
    • Leistungen, die du von Freunden oder Verwandten ohne Rechnung erhältst
    • Pachtgebühren für die Kleingartenparzelle selbst

    Wer diese Punkte übersieht, riskiert eine Ablehnung durch das Finanzamt oder sogar eine Nachprüfung.

    Ob du deinen Schrebergarten von der Steuer absetzen kannst, hängt also von der konkreten Nutzung, der Art der Leistung und der Zahlungsweise ab. Wer einen Handwerker per Überweisung bezahlt und eine saubere Rechnung mit getrennten Lohnkosten hat, ist gut aufgestellt. Bei Unsicherheit lohnt sich ein kurzes Gespräch mit einem Steuerberater oder direkt eine Anfrage beim Finanzamt, bevor du die Kosten in der Steuererklärung einträgst.

  • Balkonkraftwerk im Kleingarten: wat zegt de nieuwe wet van 2026?

    Balkonkraftwerk im Kleingarten: wat zegt de nieuwe wet van 2026?

    Sinds 2026 gelden er duidelijke nieuwe regels voor een balkonkraftwerk im Kleingarten. Het korte antwoord: je mag een balkonkraftwerk plaatsen in een volkstuintje, maar je moet het verplicht registreren in het Marktstammdatenregister van de Bundesnetzagentur, en je hebt in veel gevallen toestemming nodig van de verhuurder of Kleingartenverpächter. De wet maakt het makkelijker dan voorheen, maar legt ook concrete verplichtingen op die je niet mag overslaan.

    Wat veranderde er met de nieuwe wet voor balkonkraftwerken in volkstuinen?

    Tot voor kort was het juridisch onduidelijk of je als huurder of gebruiker van een volkstuin überhaupt een balkonkraftwerk mocht installeren. De nieuwe regeling van 2026 brengt meer duidelijkheid. De Bundesregierung heeft de drempel voor zogenaamde Steckersolar-Geräte verlaagd en de procedure vereenvoudigd. Volkstuinbezitters vallen hier ook onder, maar moeten rekening houden met extra regels die gelden binnen een Kleingartenverein.

    Een belangrijk verschil met een gewone woning: in een volkstuin heb je te maken met de Kleingartenordnung, de interne regels van de tuinvereniging. Die regels kunnen aanvullende eisen stellen, los van wat de wet voorschrijft. De wet geeft je als gebruiker meer rechten dan voorheen, maar de vereniging mag nog steeds bepaalde voorwaarden stellen aan de uitvoering.

    Verplichte registratie in het Marktstammdatenregister

    Elk balkonkraftwerk im Kleingarten moet je aanmelden in het Marktstammdatenregister van de Bundesnetzagentur. Dit is wettelijk verplicht en geldt ook voor kleine installaties van 300 of 600 watt. De registratie is gratis en doe je online via de website van de Bundesnetzagentur. Je hebt er alleen een paar basisgegevens voor nodig, zoals het vermogen van de installatie en de locatie.

    Doe je dit niet, dan riskeer je problemen bij eventuele schade of bij een controle door de netbeheerder. De registratie is geen formaliteit die je kunt overslaan: het is de juridische basis waarop je recht hebt om stroom terug te leveren aan het net.

    Toestemming vragen: van wie en hoe?

    In een volkstuin is de verhuurder doorgaans de Kleingartenverein of de gemeente. Je hebt hun toestemming nodig voordat je een balkonkraftwerk installeert. Vraag dit schriftelijk aan, zodat je bewijs hebt. De nieuwe wet van 2026 maakt het voor verhuurders moeilijker om toestemming zomaar te weigeren, vergelijkbaar met de regels die al golden voor huurders in reguliere woningen. Maar een blanco cheque is het niet: de verhuurder mag redelijke voorwaarden stellen.

    Typische voorwaarden die een Kleingartenverein kan stellen:

    • Het systeem mag het elektriciteitsnet van de volkstuin niet overbelasten.
    • De installatie moet voldoen aan de technische norm (in Duitsland: DIN VDE 0100-551-1).
    • De panelen mogen het uiterlijk van de tuin niet ontsieren (afhankelijk van de Kleingartenordnung).
    • Er mag geen schade ontstaan aan het tuinhuis of de omheining.

    Technische regels: vermogen en aansluiting

    De nieuwe wet staat in volkstuinen een maximaal vermogen van 800 watt (Watt-peak) toe voor de zonnepanelen, met een maximale uitvoer van 600 watt naar het net. Dit sluit aan bij de bredere Balkonkraftwerk-regels voor heel Duitsland die in 2024 en 2025 zijn aangescherpt. In een volkstuin gebruik je het balkonkraftwerk vaak via een Schukostecker, een gewoon stopcontact in het tuinhuis. Let op: het stopcontact en de bedrading moeten geschikt zijn voor het vermogen. Bij oudere tuinhuizen is dat niet altijd het geval.

    Heb je geen aansluiting op het openbare elektriciteitsnet in je volkstuin? Dan is een balkonkraftwerk met een kleine accu-opslag een alternatief. Je levert dan niets terug aan het net, maar slaat zelf op wat je opwekt. Voor deze variant gelden geen terugleveringsregels, al moet je het systeem wel registreren als het technisch gezien als netgekoppeld kwalificeert.

    Wanneer is een balkonkraftwerk in een volkstuin juist niet handig?

    Een balkonkraftwerk in een volkstuin is minder zinvol als je het tuinhuis zelden gebruikt. De opbrengst is klein (naar schatting 300 tot 600 kWh per jaar bij optimale opstelling in 2026), en als er niemand thuis is om het verbruik te matchen, gaat de opgewekte stroom grotendeels het net op zonder dat je er financieel van profiteert. Terugleververgoedingen zijn in Duitsland voor kleine systemen minimaal of zelfs nul.

    Verder is de investering in een balkonkraftwerk (inclusief beugels en kabels) naar schatting rond de 300 tot 600 euro in 2026, afhankelijk van het merk en het vermogen. Bij incidenteel gebruik duurt de terugverdientijd langer dan bij dagelijks gebruik thuis.

    De nieuwe wet van 2026 maakt een balkonkraftwerk im Kleingarten toegankelijker dan ooit, maar het is geen kwestie van gewoon plaatsen en vergeten. Registreer je systeem, vraag toestemming schriftelijk aan en controleer of het elektriciteitsnet in je tuinhuis geschikt is. Doe je dat goed, dan is het een legale en praktische manier om zelf energie op te wekken, ook buiten je eigen woning.

  • Geräteschuppen im Kleingarten: wat is toegestaan?

    Geräteschuppen im Kleingarten: wat is toegestaan?

    Een geräteschuppen in een kleingarten is in Duitsland toegestaan, maar alleen onder strikte voorwaarden. De belangrijkste regel: de schuur mag maximaal 24 m³ omsloten inhoud hebben en mag niet als woonruimte worden gebruikt. Dit volgt uit het Bundeskleingartengesetz (BKleingG), de federale wet die voor alle kleintuincomplexen in Duitsland geldt. Buiten die wettelijke grens gelden bovendien de regels van de plaatselijke Kleingartenverein en de Kleingartenpachtvertrag die je hebt ondertekend.

    De vraag of een geräteschuppen, gerätebox of geräteschrank is toegestaan, klinkt eenvoudig, maar in de praktijk zit er nogal wat nuance in. Wat op een privaat perceel zonder problemen kan, is in een kleingartenanlage gebonden aan meerdere regels tegelijk. Hier lees je precies waar de grenzen liggen.

    De wettelijke basis: wat zegt het Bundeskleingartengesetz?

    Het BKleingG bepaalt dat een kleingarten bedoeld is voor het kweken van groente, fruit en bloemen, en voor recreatie. Een kleine schuur of berging hoort daarbij, maar alleen als deze past bij het niet-commerciële, recreatieve gebruik. De wet stelt één harde maat: de totale omsloten inhoud van alle bouwwerken samen (schuur plus eventuele laube) mag niet meer dan 24 m³ bedragen. Heb je dus al een tuinhuis van 18 m³, dan blijft er nog 6 m³ over voor een aparte berging.

    Daarboven is bouwen op een kleingartenperceel in principe verboden zonder toestemming. De wet verbiedt ook dat je er permanent in woont of overnacht. Een geräteschuppen die groter is dan de resterende ruimte binnen die 24 m³ is formeel niet toegestaan, ongeacht hoe handig hij ook zou zijn.

    Geräteschuppen erlaubt: wanneer geldt er groen licht?

    Een geräteschuppen is toegestaan wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

    • De totale omsloten inhoud van alle opstallen op het perceel blijft onder de 24 m³.
    • De schuur wordt niet gebruikt als verblijfsruimte of slaapplek.
    • De plaatselijke Kleingartenverein geeft toestemming, of de pachtovereenkomst staat het uitdrukkelijk toe.
    • Eventuele gemeentelijke bouwvergunningseisen zijn nageleefd (bij vaste, gefundeerde bouwwerken vaak vereist).
    • De schuur past bij het tuinkarakter en is niet groter of zwaarder uitgevoerd dan nodig.

    In de praktijk plaatsen veel tuinders een kleine houten of kunststof schuur van 1 tot 2 m³ voor gereedschap. Zolang die binnen de totale limiet valt en de vereniging geen extra bezwaar maakt, is dat in de meeste gevallen zonder problemen mogelijk.

    Gerätebox en geräteschrank: andere regels?

    Een gerätebox of geräteschrank is in de meeste gevallen een kleinere, losse kast of box die je op het erf zet. Omdat deze doorgaans niet gefundeerd of vast gebouwd is, vallen ze in een grijs gebied. Sommige Kleingartenvereine beschouwen een losse box als inrichtingsstuk, niet als bouwwerk, en hanteren dan de 24 m³-grens niet. Andere verenigingen rekenen alles wat omsloten volume heeft wel degelijk mee.

    De sleutelregel is of het object vast staat (verbonden met de grond of een fundering heeft) of verplaatsbaar is. Een verplaatsbare kunststof gerätebox van 200 liter wordt in veel gevallen niet als bouwwerk gezien en is dan vrij te plaatsen, mits de vereniging dat niet uitdrukkelijk verbiedt. Twijfel je? Vraag altijd schriftelijk bevestiging bij de Vorstand van je Kleingartenverein.

    Wat je pachtovereenkomst en de Gartenordnung zeggen

    Naast de federale wet heeft vrijwel elke kleingartenanlage een eigen Gartenordnung of Rahmenkleingartenordnung. Die kan strenger zijn dan de wet, maar niet soepeler. Concrete punten die daarin vaak staan:

    • Maximale afmetingen van een schuur (soms kleiner dan de wettelijke 24 m³).
    • Toegestane materialen (hout, kunststof of juist niet).
    • Kleur en uiterlijk van de schuur (soms verplicht naturel hout of groentint).
    • Vereiste afstand tot het pad of de erfgrens (vaak minimaal 50 cm).
    • Meldingsplicht of goedkeuringsvereiste voor de Vorstand.

    Lees deze stukken altijd goed door voordat je iets aanschaft of plaatst. Een schuur die achteraf niet voldoet, moet je op eigen kosten verwijderen.

    Praktisch: zo ga je te werk

    Wil je een geräteschuppen plaatsen in je kleingarten, doorloop dan deze stappen:

    1. Meet de bestaande omsloten inhoud van je tuinhuis of laube op.
    2. Bereken hoeveel ruimte er nog overblijft binnen de 24 m³-grens.
    3. Lees de Gartenordnung van jouw anlage op afmetingen, materialen en meldingsplicht.
    4. Vraag schriftelijk toestemming bij de Vorstand voordat je iets koopt of bouwt.
    5. Controleer bij de gemeente of een Baugenehmigung nodig is (bij vaste bouwwerken boven een bepaalde drempel, die per deelstaat verschilt).

    Een kleine, verplaatsbare gerätebox van kunststof of metaal (tot circa 1 m³) valt in de meeste anlages buiten de strenge bouwregels, maar meld het toch even bij de Vorstand om later discussie te vermijden.

    De grens is dus niet alleen 24 m³, maar ook de regels van jouw eigen vereniging en de plaatselijke bouwwetgeving. Controleer alle drie voordat je een geräteschuppen aanschaft. Dat voorkomt dat je iets moet afbreken of verwijderen, en houdt de sfeer in de anlage goed.

  • Schrebergarten Geschichte: van therapeutisch idee tot volkstuinbeweging

    Schrebergarten Geschichte: van therapeutisch idee tot volkstuinbeweging

    De geschiedenis van de Schrebergarten begint in de negentiende eeuw in Duitsland, als reactie op de snel groeiende steden en de erbarmelijke leefomstandigheden van arbeidersgezinnen. Wat begon als een sociaal-medisch initiatief, groeide uit tot een van de meest verspreide volkstuinbewegingen van Europa.

    Wie was Schreber en waarom draagt de Schrebergarten zijn naam?

    Moritz Schreber (1808-1861) was een Duits orthopedisch arts en pedagoog in Leipzig. Hij pleitte vurig voor lichaamsbeweging, frisse lucht en groencontact als middel tegen de geestelijke en lichamelijke achteruitgang van stadskinderen. Schreber zelf heeft nooit een volkstuin aangelegd of beheerd. Zijn naam is verbonden aan de beweging via zijn nagedachtenis: zijn vriend en bewonderaar Ernst Innozenz Hauschild richtte in 1864 in Leipzig de eerste Schreberverein op, een vereniging die aanvankelijk bedoeld was als speelterrein voor kinderen.

    Pas later, toen de ouders van de kinderen ook stukken grond begonnen te bewerken en kleine tuintjes aanlegden naast de speelplaats, ontstond het fenomeen van de Schrebergarten zoals we dat nu kennen. De naam van de arts bleef hangen, ook al verschoof het doel van lichaamsbeweging voor kinderen naar groente- en fruitteelt voor gezinnen.

    De vroege geschiedenis van de Schrebergarten: 1864 tot 1900

    De allereerste georganiseerde Schrebergarten dateren dus uit de jaren 1860 in Leipzig. De stad groeide snel door industrialisering, en arbeidersgezinnen woonden dicht op elkaar in kleine, donkere appartementen zonder tuin. De volkstuintjes boden een uitweg: een stukje eigen grond waar je groenten kon verbouwen, de kinderen buiten konden spelen en het gezin even adem kon halen.

    In de jaren daarna verspreidden vergelijkbare initiatieven zich door heel Duitsland. Steden als Dresden, Hamburg en Berlijn kregen hun eigen tuinverenigingen. Het was geen toevallige ontwikkeling: gemeentebesturen zagen de volkstuinen als een manier om de sociale rust te bewaren en de gezondheid van de arbeidersklasse te verbeteren. Voeding verbouwen was voor veel gezinnen geen hobby, maar een noodzaak.

    Bloei en regelgeving in de twintigste eeuw

    De Schrebergarten-beweging groeide explosief in de eerste helft van de twintigste eeuw. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werden volkstuinen actief aangemoedigd door de overheid omdat voedsel schaars was. Gezinnen die een volkstuin hadden, konden een deel van hun eigen groenten en fruit verbouwen. Hetzelfde herhaalde zich tijdens en na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945), toen volkstuinen in Duitsland en in bezette landen zoals Nederland letterlijk overlevingstuinen werden.

    In 1919 werd in Duitsland de Reichskleingartengesetz ingevoerd, een wet die de rechten en plichten van volkstuinders wettelijk vastlegde. Hiermee kregen Schrebergärten voor het eerst een officiële juridische status. De wet regelde onder andere huurprijzen, opzegtermijnen en de verplichting om de tuin daadwerkelijk te bewerken voor voedselproductie. Latere aanpassingen, waaronder de Bundeskleingartengesetz van 1983, zijn tot op heden van kracht in Duitsland en regelen nog steeds de omvang (maximaal 400 m² per tuin), de huurbescherming en het verbod op permanente bewoning.

    Van overlevingstuin naar vrijetijdsbesteding

    Na de wederopbouw van de jaren vijftig veranderde de rol van de Schrebergarten geleidelijk. Het zware economische argument verloor terrein nu de welvaart toenam. De volkstuin werd langzaam een plek voor ontspanning, sociale contacten en de liefde voor het kweken, in plaats van puur een voedselbron. Kleine houten huisjes (Lauben) werden uitgebreider, tuinmeubels verschenen, en de nadruk verschoof van nut naar plezier.

    In de jaren zeventig en tachtig groeide ook het milieubewustzijn, en de Schrebergarten werd opnieuw aantrekkelijk, nu als plek voor biologisch tuinieren en de verbinding met de natuur. Steden als Berlijn, München en Hamburg hadden tienduizenden volkstuinpercelen verdeeld over honderden verenigingen.

    Schrebergarten buiten Duitsland

    De volkstuingedachte bleef niet beperkt tot Duitsland. In Nederland ontstonden de volkstuinen in een vergelijkbare periode en om vergelijkbare redenen. In Zwitserland is de beweging eveneens sterk vertegenwoordigd, zoals te zien is in de documentaire „Unser Garten Eden“ van regisseur Mano Khalil (Zwitserland, 2009, 95 minuten), die het leven en de verhalen rondom volkstuinen in beeld brengt. In Scandinavische landen kennen ze het als „kolonihave“ (Denemarken) of „koloniträdgård“ (Zweden), varianten die dezelfde historische wortels delen.

    De Schrebergarten vandaag

    Tegenwoordig beleeft de Schrebergarten een nieuwe populariteitsgolf, vooral bij jongere stadsbewoners die geen eigen tuin hebben maar wel buiten willen zijn en zelf willen verbouwen. De wachtlijsten voor een volkstuinperceel zijn in veel Duitse steden lang, naar schatting meerdere jaren in populaire steden als Berlijn en Hamburg. Het beeld van de Schrebergarten als domein van gepensioneerden verdwijnt langzaam: gezinnen, studenten en jonge professionals ontdekken de tuinen opnieuw.

    De combinatie van sociale functie, voedselproductie en ontspanning, die al in 1864 de kern vormde van het eerste initiatief in Leipzig, blijkt vandaag nog steeds de kracht van de Schrebergarten te zijn. De geschiedenis laat zien hoe een simpel tuintje van een paar honderd vierkante meter de tand des tijds doorstaat, juist omdat het inspeelt op een basisbehoefte: een stukje grond om zelf te bewerken, middenin de stad.

  • Waarom heten schrebergärten zo? De herkomst van de naam uitgelegd

    Waarom heten schrebergärten zo? De herkomst van de naam uitgelegd

    De naam „Schrebergarten“ komt van de Duitse arts Moritz Schreber, een orthopedist die leefde van 1808 tot 1861. Toch is er een opvallende twist: Schreber heeft zelf nooit een volkstuin aangelegd of beheerd. Zijn naam is er pas later aan verbonden, via een weg die veel mensen verrast.

    Moritz Schreber: de man achter de naam

    Daniel Gottlob Moritz Schreber was een bekende arts en pedagoog in Leipzig. Hij pleitte sterk voor lichaamsbeweging en buitenspelen voor kinderen, iets wat in de negentiende eeuw nog geen vanzelfsprekendheid was. Hij schreef boeken over gezonde lichaamshouding en gymnastiek, en zijn ideeën hadden veel invloed in Duitsland.

    Na zijn dood in 1861 richtten bewonderaars in Leipzig een vereniging op ter nagedachtenis aan hem. Rond 1864 legde deze vereniging een speelterrein aan voor kinderen, zodat die buiten konden bewegen en spelen, precies zoals Schreber had bepleit. Dat terrein heette al snel de „Schreberplatz“.

    Van speelplein naar volkstuin: hoe de naam „Schrebergarten“ ontstond

    Het speelterrein had grasveldjes rondom de speelruimte. Ouders begonnen die kleine stukjes grond steeds vaker te gebruiken om groenten en fruit te verbouwen. Zo groeiden de tuintjes letterlijk en figuurlijk mee met de plek. Omdat alles al de naam „Schreber“ droeg, werden ook die tuintjes al snel „Schrebergärten“ genoemd.

    De eigenlijke grondlegger van het volkstuinwezen in Leipzig was Ernst Innozenz Hauschild, de oprichter van de bewuste vereniging. En de man die de eerste tuinpercelen daadwerkelijk inrichtte, was de toenmalige voorzitter Karl Gesell. Maar geen van beiden heeft zijn naam aan de tuinen gegeven. Die eer ging naar Schreber, simpelweg omdat zijn naam al aan de locatie kleefde.

    De verspreiding van de naam door Duitsland en Europa

    Het idee van kleine, gehuurde volkstuintjes sloeg snel aan, zeker in de snel groeiende industriesteden van de negentiende en vroeg twintigste eeuw. Arbeiders en stadsbewoners hadden weinig groen om zich heen en zochten een plek om te ontspannen en eigen voedsel te verbouwen. Vanuit Leipzig verspreidde het concept zich door heel Duitsland, altijd meegenomen onder de naam „Schrebergarten“.

    In Nederland spreek je van volkstuinen of nutstuinen, maar in Duitstalige landen is „Schrebergarten“ de gangbare term gebleven. Ook in Oostenrijk en delen van Zwitserland herken je de naam direct. De ironie blijft: Moritz Schreber zelf stond nooit met zijn handen in de aarde.

    Samengevat: de herkomst van de naam Schrebergarten

    De naamherkomst van „Schrebergarten“ volgt dus een indirecte lijn: een arts met progressieve ideeën over beweging en gezondheid, een speelterrein dat ter ere van hem werd aangelegd, en ouders die de randjes van dat terrein omspittten tot moestuintjes. De naam bleef hangen, ook al had Schreber persoonlijk niets met de tuinen te maken.

    Als je de volgende keer iemand hoort zeggen dat Moritz Schreber „de uitvinder van de volkstuin“ was, weet je dat het net iets genuanceerder ligt. Hij inspireerde de beweging, maar de tuintjes ontstonden bijna toevallig op de plek die zijn naam al droeg.

  • Mag je in een volkstuintje wonen? Dit zegt de wet

    Mag je in een volkstuintje wonen? Dit zegt de wet

    Nee, je mag niet permanent in een schrebergarten wonen. Dat geldt in Duitsland voor zowel een eerste als een tweede woonadres. De Bundeskleingartengesetz (BKleingG), de federale wet die volkstuinen regelt, verbiedt het expliciet. Een tuinhuisje in een volkstuincomplex is bedoeld voor tijdelijk verblijf en ontspanning, niet als woning.

    Dat klinkt simpel, maar in de praktijk leven er veel vragen over: wat mag dan wel, hoe zit het met overnachten, en wat zijn de gevolgen als je de regels overtreedt? Hieronder lees je precies waar de grenzen liggen.

    Wat de wet zegt: darf man im Schrebergarten wohnen?

    De Bundeskleingartengesetz bepaalt dat een Laube (het tuinhuisje) maximaal 24 vierkante meter groot mag zijn en niet ingericht mag zijn als volwaardige woning. Dat betekent geen vaste keuken, geen badkamer met douche of bad, en geen slaapkamer als permanente ruimte. Ook een inschrijving op het adres van de volkstuin is niet toegestaan. Je kunt je dus niet officieel op dat adres aanmelden bij de gemeente.

    Dit verbod geldt ongeacht of er stroom, water of een toiletaansluiting aanwezig is. Zelfs als de technische voorzieningen er zijn, verandert dat niets aan de juridische status. De Laube blijft een recreatieruimte, geen woonruimte.

    Overnachten en tijdelijk verblijf: wat mag wel?

    Overnachten in je volkstuin is in principe toegestaan, zolang het gaat om incidenteel verblijf. Denk aan een weekend doorbrengenzomernachten in je tuinhuisje of een vakantieweek. De wet spreekt van een „vorübergehender Aufenthalt“ (tijdelijk verblijf), en dat is de grens. Zodra het patroon structureel wordt en je de tuin feitelijk als woonadres gebruikt, overtreed je de regels.

    In de praktijk kijken verhuurders van volkstuinen (meestal de lokale Kleingartenvereins) ook zelf mee. Zij zijn verantwoordelijk voor de naleving van de pachtovereenkomst en kunnen die beëindigen als ze vaststellen dat iemand permanent in de tuin woont.

    Wat zijn de gevolgen bij overtreding?

    Als je toch permanent in je schrebergarten woont, kunnen de gevolgen flink zijn:

    • Beëindiging van de pachtovereenkomst, waardoor je de volkstuin verliest.
    • Een verplichting om het tuinhuisje terug te brengen naar de oorspronkelijke staat, als je verbouwingen hebt gedaan om het bewoonbaar te maken.
    • Boetes of juridische stappen vanuit de vereniging of de gemeente.
    • Problemen met officiële instanties, omdat je je niet kunt inschrijven en daardoor ook geen officieel adres hebt voor post, zorgverzekering of uitkeringen.

    Gemeenten handhaven dit wisselend. In steden met hoge woningdruk wordt strenger gecontroleerd dan in landelijke gebieden, maar het risico blijft altijd aanwezig.

    Uitzonderingen: zijn er situaties waarin het wel mag?

    Er bestaat één uitzondering in de Bundeskleingartengesetz: mensen die al vóór 3 oktober 1990 (de datum van de Duitse hereniging) permanent in hun volkstuin woonden, kregen een gedoogstatus. Die overgangsregeling geldt dus alleen voor een kleine, afnemende groep oudere bewoners en is niet van toepassing op nieuwe situaties.

    Buiten deze specifieke historische uitzondering is er geen wettelijke mogelijkheid om een volkstuin als woonruimte te gebruiken. Een gewone Gartengrundstück (een privétuinkavel, geen gereguleerde volkstuin) valt buiten de Bundeskleingartengesetz, maar daarvoor gelden dan weer lokale bestemmingsplannen die wonen meestal ook niet toestaan.

    Waarom bestaat dit verbod?

    Volkstuinen zijn in Duitsland beschermd als groen voor de hele gemeenschap. De gedachte is dat volkstuinen bereikbaar en betaalbaar moeten blijven voor mensen die geen eigen tuin hebben. Als tuinen worden omgebouwd tot woningen, verdwijnt dat karakter. De pacht voor een volkstuin ligt dan ook aanzienlijk lager dan een normale huurprijs, wat de strikte regels deels rechtvaardigt.

    Kort gezegd: wonen in je schrebergarten is wettelijk niet toegestaan, ook niet als je dat aantrekkelijk vindt als alternatief voor dure huurprijzen. Overnachten en tijdelijk verblijf zijn prima, maar zodra de volkstuin je feitelijke woonadres wordt, overtree je de wet en riskeer je het verlies van de tuin.

  • Übernachten im Schrebergarten: das ist erlaubt (und das nicht)

    Übernachten im Schrebergarten: das ist erlaubt (und das nicht)

    Im Schrebergarten übernachten ist grundsätzlich erlaubt, solange es sich um gelegentliche Übernachtungen handelt und nicht um dauerhaftes Wohnen. Das Bundeskleingartengesetz (BKleingG) in Deutschland verbietet explizit das dauerhafte Bewohnen einer Gartenlaube, aber eine Nacht oder ein Wochenende im Garten schlafen ist in den meisten Fällen kein Problem.

    Der entscheidende Unterschied liegt zwischen „gelegentlich übernachten“ und „dauerhaft wohnen“. Wer im Sommer ab und zu eine Nacht im Gartenhäuschen verbringt, bewegt sich in der Regel im erlaubten Bereich. Wer seinen Hauptwohnsitz in den Kleingarten verlegt, verstößt gegen das Gesetz.

    Was das Bundeskleingartengesetz genau sagt

    Das Bundeskleingartengesetz schreibt vor, dass eine Gartenlaube im Kleingarten nicht zum dauerhaften Wohnen genutzt werden darf. Die maximale Größe einer Laube beträgt laut Gesetz 24 Quadratmeter Grundfläche, einschließlich eines überdachten Freisitzes. Eine Laube darf außerdem nicht mit einer voll ausgestatteten Küche oder einem Badezimmer mit Dusche oder Badewanne ausgebaut sein, wenn das dauerhaftes Wohnen ermöglicht.

    Für das gelegentliche Übernachten gelten diese strengen Regeln nicht. Die Süddeutsche Zeitung hat das ausdrücklich bestätigt: Das Verbot richtet sich gegen dauerhaftes Wohnen, nicht gegen die eine oder andere Übernachtung. Das ist die gute Nachricht für alle Kleingärtennutzer, die manchmal eine Nacht unter dem Sternenhimmel ihres Gartens verbringen möchten.

    Wann darf man im Schrebergarten übernachten?

    Einzelne Übernachtungen, ein verlängertes Wochenende oder ein kurzer Urlaub im Schrebergarten sind in der Praxis kein Problem. Viele Kleingärtner nutzen ihr Häuschen genau dafür: ein paar Nächte im Sommer, beim Gartenfest mit Freunden oder wenn die Gartenarbeit mal intensiver ausfällt. Das ist gesellschaftlich akzeptiert und rechtlich in Ordnung.

    Wichtig ist dabei: Es darf nicht zur Dauerlösung werden. Als Faustregel gilt, dass du nicht mehr als einen Teil des Jahres dort wohnst und deinen gemeldeten Wohnsitz weiterhin außerhalb des Kleingartens hast. Sobald du anfängst, Post dorthin zu bekommen, dich dort anzumelden oder praktisch nur noch im Garten zu leben, wird es rechtlich heikel.

    Regeln des Kleingartenvereins beachten

    Neben dem Bundesgesetz hat oft auch der Kleingartenverein eigene Regeln. Diese können strenger sein als das Gesetz selbst. Manche Vereine schreiben in ihrer Gartenordnung vor, dass Übernachtungen nur in bestimmten Zeiträumen erlaubt sind, zum Beispiel nur zwischen April und Oktober. Andere verlangen, dass du Übernachtungen anmeldest oder begrenzen die Anzahl der Nächte pro Jahr.

    Lies deshalb deinen Pachtvertrag und die Gartenordnung sorgfältig durch, bevor du das erste Mal im Garten schläfst. Im Zweifel frag direkt beim Vereinsvorstand nach. Das ist keine Schwäche, sondern schützt dich vor unnötigen Konflikten mit Nachbarn oder der Vereinsleitung.

    Dauerhaftes Wohnen im Kleingarten: die Grenze

    Dauerhaft im Schrebergarten zu wohnen ist verboten und kann echte Konsequenzen haben. Wer dabei erwischt wird, riskiert die Kündigung des Pachtvertrags. Das Ordnungsamt oder die Kleingartenanlage kann eine Räumung durchsetzen. In Einzelfällen gibt es auch Bußgelder.

    Als Zeichen dafür, dass jemand dauerhaft wohnt, gelten zum Beispiel: ein angemeldeter Wohnsitz im Garten, Post- oder Paketzustellung als Regelfall, das Einbauen von fester Heizung, vollausgestatteter Küche oder Dusche, oder der offensichtliche Umzug mit Möbeln und Hausrat. Wer das vermeidet, läuft deutlich weniger Gefahr.

    Praktische Tipps für die Übernachtung im Garten

    • Überprüfe die Gartenordnung deines Vereins auf Regeln zu Übernachtungen.
    • Melde Übernachtungen beim Verein an, wenn das vorgeschrieben ist.
    • Halte deinen Hauptwohnsitz außerhalb des Kleingartens und melde dich dort nicht um.
    • Vermeide dauerhaften Einbau von Heizung, Dusche oder vollausgestatteter Küche.
    • Bleib offen mit deinen Gartennachbarn, damit keine Beschwerden entstehen.

    Wer diese Punkte beachtet, kann gelegentliche Nächte im Schrebergarten entspannt genießen. Das Gesetz macht hier einen klaren Unterschied: Erholung und gelegentliches Übernachten sind ausdrücklich möglich, dauerhaftes Wohnen nicht. Solange du im Garten zu Gast bist und nicht dort wohnst, bist du auf der sicheren Seite.

  • Kleingarten kosten: dit betaal je écht (2026)

    Kleingarten kosten: dit betaal je écht (2026)

    De kosten voor een kleingarten bestaan uit meerdere onderdelen: pacht, contributie aan de vereniging, nutsvoorzieningen en eventuele overnameprijzen voor de tuin zelf. In totaal kom je al snel op een jaarlijkse uitgave van naar schatting 500 tot 1.500 euro per jaar in 2026, afhankelijk van locatie, grootte en staat van de tuin. Hieronder zie je precies waar dat geld naartoe gaat.

    Pachtkosten: het grootste vaste bedrag

    De pacht is wat je betaalt voor het gebruik van de grond. In Duitsland is de maximale pachtprijs wettelijk geregeld via het Bundeskleingartengesetz (BKleingG). De pacht mag niet hoger zijn dan het viervoudige van de agrarische grondwaarde ter plaatse. In de praktijk betekent dit dat de pacht per vierkante meter erg laag is, soms maar een paar eurocent per vierkante meter per jaar.

    Een standaard kleingartenperceel is doorgaans tussen de 200 en 400 vierkante meter groot. Bij een pacht van naar schatting 0,10 tot 0,25 euro per vierkante meter per jaar (richtprijs 2026) betaal je voor een perceel van 300 m² dus ruwweg 30 tot 75 euro per jaar aan pure pacht. Dat klinkt minimaal, maar daar komen andere kosten overheen.

    Vereinsbeitrag: contributie aan de kleingartenvereniging

    Bijna elke kleingarten valt onder een vereniging (Kleingartenverein). Die vereniging beheert de gemeenschappelijke voorzieningen, regelt de aansluiting op water en stroom, en vertegenwoordigt leden bij de gemeente. Daarvoor betaal je jaarlijks contributie, de zogeheten Vereinsbeitrag.

    Deze contributie verschilt sterk per vereniging en regio. In grotere steden als Hamburg, Berlijn of München ligt die naar schatting tussen de 100 en 300 euro per jaar in 2026. Soms zijn hier extra heffingen bij inbegrepen, zoals een bijdrage aan het onderhoud van paden, een speeltuin op het terrein of de heg langs de buitengrens.

    Water, stroom en andere nutskosten

    Veel kleingartenverenigingen leveren water en stroom via een centrale aansluiting op het terrein. Wat je verbruikt, betaal je via een individuele meter of via een vaste bijdrage per seizoen. Realiseer je dat de kosten sterk kunnen variëren als je een tuinhuis hebt met verlichting, een koelkast of een pomp voor een tuinvijver.

    Een realistisch beeld voor nutskosten: naar schatting 50 tot 150 euro per seizoen (2026) voor water en eventueel stroom, afhankelijk van verbruik en de tarieven die de vereniging hanteert. Let hier bij de overname op, want sommige verenigingen rekenen hogere tarieven dan je van thuis gewend bent.

    Overnameprijzen: de grootste variabele kostenpost

    Naast de jaarlijkse kosten betaal je bij het overnemen van een bestaande kleingarten een overnamebedrag aan de vorige pachter. Dit is wettelijk niet onbeperkt: ook hier geldt dat de prijs gebaseerd moet zijn op een taxatiewaarde, voornamelijk voor de opstal (het tuinhuis) en de beplanting.

    In de praktijk lopen overnameprijzen sterk uiteen. In minder populaire regio’s of voor een verwaarloosde tuin kan de overname symbolisch laag zijn, soms zelfs honderd euro. In populaire steden als Hamburg of München zijn overnamebedragen van 3.000 tot 10.000 euro of meer geen uitzondering, zeker als er een goed onderhouden tuinhuis bij staat. Let op: je betaalt dit bedrag aan de vertrekkende pachter, niet aan de vereniging of de gemeente. Controleer altijd of de prijs overeenkomt met een onafhankelijke taxatie.

    Overzicht: dit zijn de kosten per jaar

    Kostenpost Geschatte kosten per jaar (2026)
    Pacht (grondgebruik) 30 tot 75 euro
    Vereinsbeitrag (contributie) 100 tot 300 euro
    Water en stroom 50 tot 150 euro
    Totaal per jaar 180 tot 525 euro
    Eenmalige overname (variabel) 100 tot 10.000+ euro

    Verborgen kosten waar je rekening mee houdt

    Naast de vaste posten zijn er kosten die veel mensen onderschatten. Denk aan verplicht onderhoud: de meeste kleingartenverenigingen eisen dat je een minimumaantal uur per jaar meewerkt aan gemeenschappelijk onderhoud, of je betaalt een afkoopsom. Die afkoopsom ligt naar schatting tussen de 50 en 150 euro per jaar (2026).

    Daarnaast zijn er kosten voor gereedschap, zaden, planten en materialen die je zelf aanschaft. En als het tuinhuis aan vervanging of reparatie toe is, loopt dat snel op. Een dak vervangen of een nieuwe tuinschuur plaatsen kost algauw enkele duizenden euro’s, afhankelijk van de grootte en de gebruikte materialen.

    Is een kleingarten goedkoop of duur?

    Vergeleken met een eigen tuin bij een koopwoning zijn de jaarlijkse kosten van een kleingarten laag. De grond is betaalbaar, en je betaalt geen onroerendezaakbelasting over de perceel. Tegelijk is een kleingarten niet gratis: tel je de overnameprijzen, de jaarlijkse vaste lasten en je eigen tijdsinvestering bij elkaar op, dan is het zeker een kostenpost om serieus te nemen.

    Het loont om vooraf een duidelijk overzicht te maken van alle kosten die bij een specifieke tuin horen. Vraag bij de vereniging altijd om een gedetailleerde opsomming van de jaarlijkse verplichtingen, en laat de overnameprijzen bij twijfel toetsen door een onafhankelijke taxateur. Zo kom je niet voor verrassingen te staan.

  • Kleingarten pachten: zo regel je het stap voor stap

    Kleingarten pachten: zo regel je het stap voor stap

    Een kleingarten pachten betekent dat je een stuk grond huurt van een verpachter, meestal een kleingaartenvereniging of gemeente, om er zelf groenten, fruit en bloemen te kweken. Je sluit daarvoor een pachtovereenkomst af, betaalt een jaarlijkse pachtprijs en bent verplicht de tuin actief te bewirtschaften. Hieronder lees je precies hoe dat proces werkt, waar je op moet letten en wat je rechten en plichten zijn.

    Wat is pacht bij een kleingarten?

    Pacht bij een kleingarten verschilt van gewone huur. Je huurt niet alleen de grond, maar je neemt ook de verantwoordelijkheid om die grond daadwerkelijk te bewerken. Dat staat vastgelegd in het Bürgerliche Gesetzbuch (BGB), het Duitse burgerlijk wetboek. Daarin staat onder andere dat jij als pachter de tuin moet bewirtschaften, dus niet alleen een tuintje hebt om te ontspannen, maar ook de verplichting hebt om het perceel actief te gebruiken en te onderhouden.

    In Duitsland vallen de meeste kleingartenparken ook onder de Bundeskleingartengesetz (BKleingG). Die wet stelt onder meer dat minstens een derde van het perceel voor het kweken van voedsel bestemd moet zijn. Je mag een tuinhuisje plaatsen, maar dat mag in de meeste gevallen niet als permanente woning worden gebruikt.

    Hoe kleingarten pachten werkt: het aanvraagproces

    Een kleingarten pachten doe je in de meeste gevallen via een plaatselijke kleingaartenvereniging. Gemeenten en steden verhuren percelen vaak via zulke verenigingen, die op hun beurt een wachtlijst bijhouden. In populaire steden kan de wachttijd oplopen tot meerdere jaren. Het is daarom slim om je vroeg aan te melden, ook als je nog niet direct een tuin nodig hebt.

    De stappen zijn doorgaans als volgt:

    • Zoek een kleingaartenvereniging in jouw buurt of gemeente.
    • Meld je aan als geïnteresseerde pachter en schrijf je in op de wachtlijst.
    • Zodra er een perceel vrijkomt, word je benaderd voor een bezichtiging.
    • Ben je akkoord, dan sluit je een pachtovereenkomst af met de vereniging of direct met de gemeente.
    • Je betaalt de eerste pacht en eventuele vergoeding voor de aanwezige beplanting of het tuinhuisje van de vorige pachter.

    Let op: bij de overdracht betaal je soms een zogenaamde Ablöse, een vergoeding aan de vorige pachter voor de aanplant, het tuinhuisje of andere verbeteringen aan het perceel. Dit bedrag wordt doorgaans getaxeerd door de vereniging. Informeer vooraf hoeveel die Ablöse bedraagt, zodat je niet voor verrassingen staat.

    Wat kost een kleingarten pachten?

    De jaarlijkse pachtprijs voor een kleingarten is in Duitsland wettelijk begrensd. Volgens de Bundeskleingartengesetz mag de pacht niet hoger zijn dan het viervoudige van de gemiddelde pachtprijs voor landbouwgrond in de regio. In de praktijk betaal je naar schatting rond 2026 tussen de 50 en 250 euro per jaar voor een gemiddeld perceel van zo’n 300 tot 400 vierkante meter. Dat maakt een kleingarten pachten financieel een heel toegankelijke optie vergeleken met andere vormen van tuinieren in of nabij de stad.

    Naast de pacht betaal je in de meeste gevallen ook contributie aan de vereniging en een bijdrage voor gemeenschappelijke kosten zoals water, stroom en onderhoud van gemeenschappelijke ruimtes. Die bijdragen variëren per vereniging.

    Je rechten en plichten als pachter

    Als pachter heb je een stevige rechtspositie. Een pachtovereenkomst voor een kleingarten mag in principe niet zomaar opgezegd worden. De verpachter kan de overeenkomst alleen beëindigen als jij je verplichtingen structureel niet nakomt, bijvoorbeeld door de tuin langdurig te verwaarlozen of het perceel te gebruiken als woning.

    Jouw voornaamste plichten als pachter zijn:

    • De tuin regelmatig en actief bewirtschaften.
    • Het perceel netjes houden en verwaarlozing voorkomen.
    • Eventuele bouw van een tuinhuisje of schutting afstemmen met de vereniging en de geldende regels volgen.
    • De pacht en contributie op tijd betalen.
    • De regels van de vereniging (het Gartenordnung) naleven.

    Het Gartenordnung is een soort huishoudelijk reglement dat per vereniging verschilt. Daarin staan afspraken over onder andere de maximale hoogte van hagen, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de tijden waarop je machines mag gebruiken. Lees dit document goed door voordat je tekent.

    Waar je op moet letten bij het tekenen van het pachtcontract

    Het pachtcontract is het belangrijkste document bij het pachten van een kleingarten. Controleer in ieder geval de volgende punten voordat je tekent:

    • Looptijd van het contract en de opzegtermijnen.
    • Hoogte van de pachtprijs en hoe eventuele verhogingen worden berekend.
    • Staat van het perceel bij overdracht: is er een opnameverslag?
    • Wat er bij beëindiging van het contract met beplanting en bebouwing gebeurt.
    • Welke kosten voor gemeenschappelijke voorzieningen je deelt.

    Twijfel je over de inhoud van het contract? Laat het dan nakijken door een juridisch adviseur of neem contact op met een lokale Mieterverein of Kleingärtnerverband. Die organisaties kunnen je onafhankelijk adviseren zonder er zelf belang bij te hebben.

    Een kleingarten pachten is relatief eenvoudig als je weet waar je op moet letten. De wachttijden zijn de grootste drempel, maar wie zich tijdig aanmeldt bij een vereniging en de pachtregels goed begrijpt, vindt uiteindelijk een betaalbaar stuk groen om zelf in te werken.

  • Kleingarten zaun zum nachbarn: wat mag, wat moet en wie betaalt

    Kleingarten zaun zum nachbarn: wat mag, wat moet en wie betaalt

    De schutting tussen jouw kleingartenperceel en dat van je buurman is gebonden aan vaste regels. Vanaf het tuinhek gezien valt de zaun zum nachbarn aan de rechterkant onder jouw perceel, wat betekent dat jij daar eigenaar van bent, jij hem onderhoudt en jij de kosten draagt. Dat is de gangbare regeling in de meeste kleingartenverenigingen in Duitsland, al kunnen de statuten per vereniging iets afwijken.

    Wie is verantwoordelijk voor welke kant van het hek?

    De verdeling werkt als volgt: sta je met je rug naar het tuinhek en kijk je je perceel in, dan is de rechtse zijgrens jouw verantwoordelijkheid. De linker zijgrens hoort bij de buurman rechts van jou. Zo is voor elk stuk schutting in de hele kleingartenanlage duidelijk wie eigenaar is, wie onderhoudt en wie betaalt. Je hoeft dus nooit te overleggen wie „aan de beurt“ is. Dit systeem geldt in de meeste verenigingen, maar check altijd de regels van jouw eigen verein of de pachtovereenkomst. Die gaan voor op algemene gewoontes.

    De achtergevel, de schutting tussen jouw tuin en de tuin achter je, valt in veel regelingen ook onder een vaste verdeling. Vaak is dit de verantwoordelijkheid van de bewoner wiens perceel het dichtst bij het hoofdpad ligt, maar dit verschilt per anlage. Vraag dit bij twijfel na bij het bestuur.

    Hoogte en materiaal van de kleingarten zaun zum nachbarn

    In de meeste kleingartenverenigingen gelden strikte regels voor de maximale hoogte van de schutting. Een hoogte van 1,00 tot 1,20 meter is gebruikelijk als bovengrens. Hogere schuttingen zijn bijna altijd verboden, omdat ze het karakter van de kleingartenanlage aantasten en veel schaduw op het naburige perceel werpen. Voor een kleingarten geldt namelijk dat de tuin in de eerste plaats voor het kweken van gewassen bedoeld is, en schaduw schaadt de oogst van je buurman.

    Wat materiaal betreft schrijven veel vereningsreglementen voor dat de schutting „doorzichtig“ moet zijn. Dat wil zeggen: geen dichte houten planken, maar een gaashek, een harmonicagaas of een lattenrooster met voldoende opening. Massieve schuttingen zijn alleen toegestaan als de statuten dat uitdrukkelijk toelaten. Beton, steen of betonblokken als erfafscheiding zijn in de meeste kleingartenanlages verboden.

    Wat als de schutting al oud of beschadigd is?

    Is de schutting aan jouw kant versleten, scheef of kapot? Dan is het jouw verantwoordelijkheid die te vervangen of te repareren, ook als hij er al stond toen jij het perceel overnam. Zorg wel dat je bij vervanging de regels van de verein volgt: hoogte, materiaal en kleur kunnen vastgelegd zijn. Koop je dus een nieuwe rol gaas of houten latten, vraag dan eerst bij het bestuur na wat toegestaan is. Zo voorkom je dat je een schutting plaatst die je daarna weer moet verwijderen.

    Doe je niets en de schutting valt om of beschadigt het perceel van de buurman, dan kun je aansprakelijk worden gesteld voor de schade. Een verwaarloosde erfafscheiding kan ook reden zijn voor een waarschuwing van de verein of zelfs voor problemen bij de jaarlijkse tuincontrole.

    Mag je zomaar een nieuwe schutting plaatsen?

    Wil je de schutting vervangen of voor het eerst plaatsen? Vraag altijd eerst schriftelijk toestemming aan het bestuur van de kleingartenverein. In veel gevallen hoef je geen officiële bouwvergunning aan te vragen bij de gemeente, omdat een laag gaashek in een tuin onder een bepaalde drempel valt. Maar de toestemming van de verein is bijna altijd verplicht. Houd ook rekening met de exacte ligging van de perceelgrens: de schutting mag precies op de grens staan, maar niet erover.

    Wil je als buurman meedelen in de kosten of een hogere schutting plaatsen dan de regels toestaan? Dan heb je sowieso toestemming van de buurman én het bestuur nodig. Mondeling akkoord is daarvoor niet genoeg. Zet afspraken over kosten, materiaal en hoogte altijd schriftelijk vast, zodat er later geen misverstanden zijn.

    Een duidelijke, goed onderhouden schutting voorkomt de meeste burenruzies in de kleingartenanlage. Weet je welke kant van de grens jouw verantwoordelijkheid is, ken je de hoogte- en materiaalregels van jouw verein, en vraag je vooraf toestemming bij vervanging, dan zit je goed.